Bezwaar tegen beschikking Whk



Vorige week berichtten we over de beschikking Werkhervattingskas (Whk) die eind november/begin december bij werkgevers op de mat valt. Diezelfde week, op 29 november, werd een opmerkelijke uitspraak van Hof Amsterdam gepubliceerd. De uitspraak zelf dateert al van 1 november 2017 en is van belang voor werkgevers die te maken hebben met oude uitkeringslasten van voor de indiening op 23 april 2012 van het wetsvoorstel Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (afgekort als Wet bezava).

De zaak betrof een werkgever een beschikking Whk 2014 had ontvangen met een individuele premie van 1,04%. De premie was opgebouwd uit het landelijk vastgestelde rekenpercentage van 0,34% met een individuele risico-opslag van 0,7%. De opslag kwam feitelijk door één werknemer die in oktober 2010 via het UWV met een proefplaatsing (drie maanden) in dienst is getreden, gevolgd door een jaarcontract. Dit jaarcontract wordt niet verlengd en een maand voor afloop van dit contract wordt de werknemer ziek. Per 1 februari 2012 ontvangt de werknemer een ZW-uitkering.

Een doelstelling van de Wet bezava is dat de werkgever via de aan hem toegerekende premie geprikkeld wordt om te werken aan de re-integratie van een arbeidsongeschikte werknemer. Bij de inwerkingtreding van de gedifferentieerde premie ZW in 2014 is voor de toerekening van de uitkeringslasten als toetsjaar het jaar t-2 gehanteerd, dus 2012. Voor de betrokken werkgever betekende dit dus dat hij geconfronteerd werd met een toerekening van uitkeringslasten die ontstaan zijn voordat de Wet bezava als wetsvoorstel bekend werd en betrekking hebben op een werknemer die op dat moment (april 2012) ook al uit beeld is. Extra wrang is bovendien dat de werknemer via een proefplaatsing in dienst is gekomen.

De werkgever gaat in bezwaar en beroep tegen de beschikking Whk. De rechtbank wijst zijn beroep af, maar bij het Gerechtshof Amsterdam heeft hij wel succes. Het Amsterdamse hof sluit bij zijn oordeel aan bij rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de crisisheffing. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat voor de periode voor de aankondiging van die heffing inhoudingsplichtigen er in principe van mochten uitgaan dat zij niet zouden worden geconfronteerd met een zwaardere heffing dan volgens de toen geldende wetgeving. Zou dat toch gebeuren, dan is er geen sprake van een fair balance, tenzij daarvoor specifieke en dwingende redenen zijn. In geval van de crisisheffing waren die redenen volgens de Hoge Raad er wel, maar volgens het gerechtshof was dit niet het geval bij de inwerkingtreding van de Wet bevaza. En niet onbelangrijk: het hof oordeelt dat dit ook geldt voor andere werkgevers in vergelijkbare omstandigheden. Het ontbreken van een fair balance is een gevolg van de structuur van de destijds nieuwe regeling in wet en besluit.

Met een beroep op dit arrest is het aan te raden te onderzoeken of een bezwaar tegen de beschikking Whk 2014 mogelijk is.

6-12-2017